Accijnsregister en volkstellingen

Van Diepenheim en het dorp Borne

Hoofdgeld

Het hoofdgeld was een belasting die betaald moest worden door ieder inwonend gezinslid boven een bepaalde leeftijd. Pas bij resolutie van de Staten van Overijssel van 14 april 1675 kreeg het hoofdgeld zijn definitieve vorm: voor iedereen die ouder was dan zestien jaar zou het gezinshoofd vijftien stuivers moeten betalen. Uit dat jaar zijn ook de oudste kohieren. Weliswaar veranderde van tijd tot tijd zowel de leeftijdsgrens als het op te brengen bedrag, maar aan het beginsel zelf van de heffing werd niet meer getornd. Alleen onvermogenden en armen waren vrijgesteld.

In 1748 besloten de Staten van Overijssel om een bijzonder "hoofdgeld" in de vorm van een belasting op het inkomen te heffen. Alle huishoudens dienden aan deze belasting te betalen - alleen de "onvermogenden" en personen boven de 70 jaar werden van de belasting vrijgesteld. Elk huishouden werd naar inkomen in klassen ingedeeld. Per huishouden moest  voor elk lid betaald worden; alleen kinderen jonger dan 10 jaar en in de laagste drie klassen kinderen beneden 17 jaar waren van de belasting vrijgesteld. Er waren 14 klassen. Wie minder dan f100,- verdiende (per jaar) betaalde f1,-, wie meer dan f5000,- verdiende, betaalde slechts f14,-. Deze belasting was dus degressief en de armen betaalden vier maal zoveel per persoon als de rijken. Genoteerd werden alle personen op naam die deel hadden aan het huisgezin. De hoofdbewoner en zijn vrouw, de kinderen boven en de kinderen onder de tien jaar en eventuele inwooners op naam. Zo ontstond voor de eerste keer een uitgebreid overzicht van alle inwoners per gemeente.

In 1795 wilde de nieuwe patriotische regering weten hoeveel inwoners het land nu eigenlijk had. De Fransen hadden hen aan de macht gebracht, maar daarvoor moest een hoge prijs betaald worden. Zowel in geld als in goederen. Ook nu weer was belasting heffing het doel van deze telling. Genoteerd werden de naam van de hoofdbewoner, zijn beroep, degene die de opgave had gedaan en het aantal personen van het huisgezin. 

1000e en 500e penning

In 1638 besloten de Staten van Overijssel voor dat jaar `een duysensten penninck van eenes yderen middelen' te heffen, om de bijdragen aan de oorlogslasten van de Republiek beter te kunnen opbrengen. In deze `taxatie' werd men aangeslagen uit hoofde van de eigendom van onroerende goederen in of buiten de provincie, die de waarde van vijfhonderd gulden te boven gingen. Werd iemands bezit op een bedrag tussen de vijfhonderd en duizend gulden getaxeerd, dan moest één gulden worden betaald; bij een waardering van duizend tot tweeduizend gulden dertig stuivers en boven de tweeduizend gulden werd voor elke duizend gulden één gulden ingevorderd. Na 1762 is deze belasting niet meer geheven.

Vuurstedenregister

Op 1 juni 1598 besloten de Staten van Overijssel `van yeder vuirstede ofte plaetse die gemaeckt is omme vuir te boeten, als schoorsteenen, kachelovents, backovents, daven ofte eesten, goltsmede- ofte tinnegietersovents ofte anderen hoe die genoempt mogen werden' belasting te heffen. Het ging dus deels om een soort belasting op huizen, waarbij de grootte van het huis en daarmee het te betalen bedrag afgemeten werd aan het aantal kamers waar een vuur kon worden gestookt. Het schoorsteen- of vuurstedengeld werd pas ingevoerd in 1628, toen iedere haardstede met twintig stuivers was belast. Dit bedrag moest voor de helft door de eigenaar en voor de andere helft door de gebruiker worden opgebracht. De belasting is naderhand behoorlijk verzwaard, want tegen het einde van de zeventiende eeuw moest er al drie, en soms wel vier gulden per haardstede worden betaald. Een bakkersoven gold sinds 1683 voor twee vuurplaatsen. In bepaalde gevallen kon men vrijstelling of vermindering van het schoorsteengeld krijgen, bijvoorbeeld bij armlastigheid of wanneer een boedel in desolate toestand verkeerde.

De registers van onder andere 1675 zijn voor de hele provincie Overijssel bewaard gebleven. De belasting bedroeg toen f3,- op haardsteden, ovens en brouwketels. Deze f3,- was het basistarief. Soms werd het dubbel, of driedubbel geheven. Soms jaren helemaal niet.

Eesten

Soms komt in het vuurstedenregister de vermelding "eesten" voor. Eesten is het stoppen van het kiemproces door verhitten met warme of hete lucht. Op grote geperforeerde platen worden de ontkiemde gerstekorrels uitgespreid. Vanaf onderen wordt lucht van een bepaalde temperatuur door de mout heen geblazen. Als het vochtgehalte zo rond de 8 tot 10% ligt, wordt de temperatuur opgehoogd. Dit proces noemt men het afeesten. Hierbij daalt het vochtgehalte tot zo'n 2 à 4%. Hoe hoger de temperatuur en hoe langer wordt verhit, hoe donker de mout wordt. Men spreekt nu ook niet meer over groenmout, maar over mout. Een voordelig effect van de verhitting is, dat deze grondstof, het mout, langer houdbaar blijft.

Marieken Scholten-Sijses

Basis_document

look Creative Commons License
Op dit werk is een Creative Commons Licentie van toepassing.